Van middeleeuwse oorlogsvoering naar "kanten" oorlogsvoering

Op het gelijkvloers ziet u hoe de verdediging van de stad zich ontwikkelde, volledig in lijn met haar economische ontwikkeling.

Een eerste stadsmuur uit de 11e en 12e eeuw werd twee keer belegerd, in 1197 en 1213. Hier wachtte koning Filips-Augustus in 1214 het leger van de Duitse keizer Otto en zijn Engelse en Vlaamse bondgenoten op. Omdat hij op de hoogte was van hun komst, verliet hij Doornik om het coalitieleger naar Bouvines te lokken, waar hij hen op 27 juli 1214 versloeg.

De tweede stadsmuur werd tussen 1277 en 1302 gebouwd in opdracht van koning Filips de Schone en telde 65 torens en 18 poorten, waarvan 2 waterpoorten over de Schelde. Deze stadsmuur omringde een stad waarvan de oppervlakte ondertussen was toegenomen van 55 tot 190 hectare. De muur weerstond twee belegeringen in 1303 en 1340, de laatste geleid door de koning van Engeland zelf. De stadsmilities van Doornik namen deel aan bijna alle veldtochten die de Franse koningen tijdens de Honderdjarige Oorlog voerden.
Een opmerkelijk stuk artillerie getuigt hoe sterk de verdedigingswerken van de stad waren. Het gaat om een ijzeren vuurkamer uit het eerste kwart van de 15e eeuw, geklasseerd als een Schat van de Franse Gemeenschap.

In 1513 waren de middeleeuwse muren niet langer bestand tegen de ijzeren kanonskogels die door Henri VIII werden afgevuurd, waarop de stad zich moest overgeven. Doornik viel 
opnieuw in Franse handen en werd in 1521 ingenomen door Keizer Karel, koning van Spanje en Duits keizer.

In 1667 werd Doornik opnieuw Frans grondgebied. Met de bouw van een citadel en de versterking van de vestingwerken van de stad door Lodewijk XIV ontstond een van de meest indrukwekkende vestingsteden van Europa. In 1709 werd Doornik echter ingenomen door de geallieerde legers, aangevoerd door de hertog van Marlborough en prins Eugène. Na een beleg van een maand gaf de stad zich over, waarna de citadel nog een maand stand hield onder een verschrikkelijk bombardement.
Als herinnering aan deze belegeringsoorlog is er een 15 duim lange Franse 'pierrier' (draaibas), die in 1684 in Douai werd gegoten door de gebroeders Keller.

In 1745, tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, werd Doornik belegerd door de Franse legers, waar Lodewijk XV en de kroonprins zelf aan deelnamen. De stad was op dat moment een 'barrière' die door een Nederlands garnizoen werd verdedigd. Op 11 mei 1745 werd het Engels-Nederlandse leger bij Fontenoy verslagen door het Franse leger onder leiding van Maurice de Saxe. Het Engels-Nederlandse leger stond onder leiding van de zoon van de koning van Engeland, de hertog van Cumberland, die het beleg moest komen opheffen.

Een collectie steekwapens en vuurwapens geeft inzicht in de uitrusting van de legers tijdens deze verschrikkelijke veldslag, waaronder een opmerkelijk Nederlands geweer dat is geklasseerd als Schat van de Franse Gemeenschap.